Johannes · 3

Tekstweergave
Tekstweergave
Lettergrootte
18 px

Verzen

⋯
1
Latijn

Erat autem homo ex pharisæis, Nicodemus nomine, princeps Judæorum.

Nederlands

Er was nu een mens uit de Farizeeën, Nicodemus genaamd, een overste van de Joden.

2
Latijn

Hic venit ad Jesum nocte, et dixit ei : Rabbi, scimus quia a Deo venisti magister, nemo enim potest hæc signa facere, quæ tu facis, nisi fuerit Deus cum eo.

Nederlands

Deze kwam 's nachts tot Jezus en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is.

3
Latijn

Respondit Jesus, et dixit ei : Amen, amen dico tibi, nisi quis renatus fuerit denuo, non potest videre regnum Dei.

Nederlands

Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.

4
Latijn

Dicit ad eum Nicodemus : Quomodo potest homo nasci, cum sit senex ? numquid potest in ventrem matris suæ iterato introire et renasci ?

Nederlands

Nicodemus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden wanneer hij oud is? Kan hij soms opnieuw in de moederschoot ingaan en geboren worden?

5
Latijn

Respondit Jesus : Amen, amen dico tibi, nisi quis renatus fuerit ex aqua, et Spiritu Sancto, non potest introire in regnum Dei.

Nederlands

Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk van God.

6
Latijn

Quod natum est ex carne, caro est : et quod natum est ex spiritu, spiritus est.

Nederlands

Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.

7
Latijn

Non mireris quia dixi tibi : oportet vos nasci denuo.

Nederlands

Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb: u moet opnieuw geboren worden.

8
Latijn

Spiritus ubi vult spirat, et vocem ejus audis, sed nescis unde veniat, aut quo vadat : sic est omnis qui natus est ex spiritu.

Nederlands

De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heen gaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is.

9
Latijn

Respondit Nicodemus, et dixit ei : Quomodo possunt hæc fieri ?

Nederlands

Nicodemus antwoordde en zei tot Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren?

10
Latijn

Respondit Jesus, et dixit ei : Tu es magister in Israël, et hæc ignoras ?

Nederlands

Jezus antwoordde en zei tot hem: U bent een leraar in Israël en u weet deze dingen niet?

11
Latijn

Amen, amen dico tibi, quia quod scimus loquimur, et quod vidimus testamur, et testimonium nostrum non accipitis.

Nederlands

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Wij weten, spreken Wij, en wat Wij gezien hebben, getuigen Wij, en u neemt ons getuigenis niet aan.

12
Latijn

Si terrena dixi vobis, et non creditis : quomodo, si dixero vobis cælestia, credetis ?

Nederlands

Als Ik u aardse dingen gezegd heb en u gelooft niet, hoe zult u geloven als Ik u hemelse dingen zeg?

13
Latijn

Et nemo ascendit in cælum, nisi qui descendit de cælo, Filius hominis, qui est in cælo.

Nederlands

En niemand is opgevaren naar de hemel, dan Hij die uit de hemel is neergedaald, de Mensenzoon, die in de hemel is.

14
Latijn

Et sicut Moyses exaltavit serpentem in deserto, ita exaltari oportet Filium hominis :

Nederlands

En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Mensenzoon verhoogd worden,

15
Latijn

ut omnis qui credit in ipsum, non pereat, sed habeat vitam æternam.

Nederlands

opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

16
Latijn

Sic enim Deus dilexit mundum, ut Filium suum unigenitum daret : ut omnis qui credit in eum, non pereat, sed habeat vitam æternam.

Nederlands

Want zo heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

17
Latijn

Non enim misit Deus Filium suum in mundum, ut judicet mundum, sed ut salvetur mundus per ipsum.

Nederlands

Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem gered wordt.

18
Latijn

Qui credit in eum, non judicatur ; qui autem non credit, jam judicatus est : quia non credit in nomine unigeniti Filii Dei.

Nederlands

Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld; maar wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de naam van de eniggeboren Zoon van God.

19
Latijn

Hoc est autem judicium : quia lux venit in mundum, et dilexerunt homines magis tenebras quam lucem : erant enim eorum mala opera.

Nederlands

Dit is nu het oordeel: dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren slecht.

20
Latijn

Omnis enim qui male agit, odit lucem, et non venit ad lucem, ut non arguantur opera ejus :

Nederlands

Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan het licht komen;

21
Latijn

qui autem facit veritatem, venit ad lucem, ut manifestentur opera ejus, quia in Deo sunt facta.

Nederlands

maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, omdat ze in God gedaan zijn.

22
Latijn

Post hæc venit Jesus et discipuli ejus in terram Judæam : et illic demorabatur cum eis, et baptizabat.

Nederlands

Hierna kwam Jezus met zijn leerlingen in het land van Judea, en daar vertoefde Hij met hen en doopte.

23
Latijn

Erat autem et Joannes baptizans, in Ænnon, juxta Salim : quia aquæ multæ erant illic, et veniebant et baptizabantur.

Nederlands

Ook Johannes doopte in Aenon, dicht bij Salim, omdat daar veel water was, en zij kwamen en werden gedoopt.

24
Latijn

Nondum enim missus fuerat Joannes in carcerem.

Nederlands

Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.

25
Latijn

Facta est autem quæstio ex discipulis Joannis cum Judæis de purificatione.

Nederlands

Er ontstond nu een twist tussen de leerlingen van Johannes en de Joden over de reiniging.

26
Latijn

Et venerunt ad Joannem, et dixerunt ei : Rabbi, qui erat tecum trans Jordanem, cui tu testimonium perhibuisti, ecce hic baptizat, et omnes veniunt ad eum.

Nederlands

En zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi, Hij die bij u was aan de overkant van de Jordaan, van wie u getuigd hebt, zie, Hij doopt, en allen komen tot Hem.

27
Latijn

Respondit Joannes, et dixit : Non potest homo accipere quidquam, nisi fuerit ei datum de cælo.

Nederlands

Johannes antwoordde en zei: Een mens kan niets aannemen, tenzij het hem uit de hemel gegeven is.

28
Latijn

Ipsi vos mihi testimonium perhibetis, quod dixerim : Non sum ego Christus : sed quia missus sum ante illum.

Nederlands

Uzelf getuigt van mij dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben vóór Hem uitgezonden.

29
Latijn

Qui habet sponsam, sponsus est : amicus autem sponsi, qui stat, et audit eum, gaudio gaudet propter vocem sponsi. Hoc ergo gaudium meum impletum est.

Nederlands

Wie de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en hem hoort, verheugt zich zeer om de stem van de bruidegom. Deze vreugde van mij is dan ook vervuld.

30
Latijn

Illum oportet crescere, me autem minui.

Nederlands

Hij moet groeien, maar ik minder worden.

31
Latijn

Qui desursum venit, super omnes est. Qui est de terra, de terra est, et de terra loquitur. Qui de cælo venit, super omnes est.

Nederlands

Wie van boven komt, is boven allen. Wie van de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Wie uit de hemel komt, is boven allen.

32
Latijn

Et quod vidit, et audivit, hoc testatur : et testimonium ejus nemo accipit.

Nederlands

En wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij, en niemand neemt zijn getuigenis aan.

33
Latijn

Qui accepit ejus testimonium signavit, quia Deus verax est.

Nederlands

Wie zijn getuigenis aangenomen heeft, heeft bezegeld dat God waarachtig is.

34
Latijn

Quem enim misit Deus, verba Dei loquitur : non enim ad mensuram dat Deus spiritum.

Nederlands

Want Hij die God gezonden heeft, spreekt de woorden van God, want God geeft de Geest niet met mate.

35
Latijn

Pater diligit Filium et omnia dedit in manu ejus.

Nederlands

De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in zijn hand gegeven.

36
Latijn

Qui credit in Filium, habet vitam æternam ; qui autem incredulus est Filio, non videbit vitam, sed ira Dei manet super eum.

Nederlands

Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon niet gelooft, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.