Jeremia · 45

Tekstweergave
Tekstweergave
Lettergrootte
18 px

Verzen

⋯
1
Latijn

Verbum quod locutus est Jeremias propheta ad Baruch filium Neriæ, cum scripsisset verba hæc in libro ex ore Jeremiæ, anno quarto Joakim filii Josiæ regis Juda, dicens :

Nederlands

Het woord dat de profeet Jeremia tot Baruch, de zoon van Neria, gesproken heeft, toen hij deze woorden in een boek schreef uit de mond van Jeremia, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggend:

2
Latijn

Hæc dicit Dominus Deus Israël ad te, Baruch :

Nederlands

Zo zegt de Heer, de God van Israël, tot jou, Baruch:

3
Latijn

Dixisti : Væ misero mihi ! quoniam addidit Dominus dolorem dolori meo : laboravi in gemitu meo, et requiem non inveni.

Nederlands

Je zei: Wee mij, ellendige! want de Heer heeft smart bij mijn smart gevoegd; ik heb gezwoegd in mijn zuchten en geen rust gevonden.

4
Latijn

Hæc dicit Dominus : Sic dices ad eum : Ecce quos ædificavi, ego destruo, et quos plantavi, ego evello, et universam terram hanc :

Nederlands

Dit zegt de Heer: Zo zul je tot hem zeggen: Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit, heel dit land.

5
Latijn

et tu quæris tibi grandia ? noli quærere, quia ecce ego adducam malum super omnem carnem, ait Dominus, et dabo tibi animam tuam in salutem in omnibus locis ad quæcumque perrexeris.

Nederlands

En jij, zoek jij grote dingen? Zoek ze niet, want zie, Ik breng onheil over al het vlees, zegt de Heer, en Ik zal je ziel tot behoud geven op alle plaatsen waar je ook maar heen gaat.