Jeremia · 41

Tekstweergave
Tekstweergave
Lettergrootte
18 px

Verzen

⋯
1
Latijn

Et factum est in mense septimo, venit Ismahel filius Nathaniæ filii Elisama, de semine regali, et optimates regis, et decem viri cum eo, ad Godoliam filium Ahicam, in Masphath, et comederunt ibi panes simul in Masphath.

Nederlands

En het gebeurde in de zevende maand: Ismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, uit het koninklijk geslacht, en de aanvoerders van de koning, en tien mannen met hem, kwamen naar Gedalja, de zoon van Achikam, in Mizpa, en zij aten daar samen brood in Mizpa.

2
Latijn

Surrexit autem Ismahel filius Nathaniæ, et decem viri qui cum eo erant, et percusserunt Godoliam filium Ahicam filii Saphan gladio, et interfecerunt eum quem præfecerat rex Babylonis terræ.

Nederlands

Toen stond Ismaël, de zoon van Netanja, op, en de tien mannen die met hem waren, en zij sloegen Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, met het zwaard, en doodden hem die de koning van Babel over het land had aangesteld.

3
Latijn

Omnes quoque Judæos qui erant cum Godolia in Masphath, et Chaldæos qui reperti sunt ibi, et viros bellatores, percussit Ismahel.

Nederlands

Ook alle Judeeërs die met Gedalja in Mizpa waren, en de Chaldeeën die daar gevonden werden, en de strijdbare mannen, doodde Ismaël.

4
Latijn

Secundo autem die postquam occiderat Godoliam, nullo adhuc sciente,

Nederlands

Op de tweede dag echter nadat hij Gedalja had gedood, terwijl nog niemand het wist,

5
Latijn

venerunt viri de Sichem, et de Silo, et de Samaria, octoginta viri, rasi barba, et scissis vestibus, et squallentes : et munera et thus habebant in manu, ut offerrent in domo Domini.

Nederlands

kwamen er mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria, tachtig mannen, met geschoren baarden, gescheurde klederen en rouw bedrijvend; en zij hadden offers en wierook in hun hand, om die te brengen in het huis van de Heer.

6
Latijn

Egressus ergo Ismahel filius Nathaniæ in occursum eorum de Masphath, incedens et plorans ibat : cum autem occurrisset eis, dixit ad eos : Venite ad Godoliam filium Ahicam.

Nederlands

Toen ging Ismaël, de zoon van Netanja, hun tegemoet uit Mizpa, al gaande en wenend; en toen hij hen ontmoette, zei hij tot hen: Kom naar Gedalja, de zoon van Achikam.

7
Latijn

Qui cum venissent ad medium civitatis, interfecit eos Ismahel filius Nathaniæ circa medium laci, ipse et viri qui erant cum eo.

Nederlands

En toen zij midden in de stad gekomen waren, doodde Ismaël, de zoon van Netanja, hen bij het midden van de put, hijzelf en de mannen die met hem waren.

8
Latijn

Decem autem viri reperti sunt inter eos, qui dixerunt ad Ismahel : Noli occidere nos, quia habemus thesauros in agro, frumenti, et hordei, et olei, et mellis : et cessavit, et non interfecit eos cum fratribus suis.

Nederlands

Maar er werden tien mannen onder hen gevonden, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben schatten in het veld, van tarwe, gerst, olie en honing; en hij hield op en doodde hen niet met hun broeders.

9
Latijn

Lacus autem in quem projecerat Ismahel omnia cadavera virorum quos percussit propter Godoliam, ipse est quem fecit rex Asa propter Baasa regem Israël : ipsum replevit Ismahel filius Nathaniæ occisis.

Nederlands

De put nu waarin Ismaël al de lijken had geworpen van de mannen die hij gedood had omwille van Gedalja, is dezelfde die koning Asa gemaakt had tegen Baësa, de koning van Israël; die vulde Ismaël, de zoon van Netanja, met de gedoden.

10
Latijn

Et captivas duxit Ismahel omnes reliquias populi qui erant in Masphath, filias regis, et universum populum qui remanserat in Masphath, quos commendaverat Nabuzardan princeps militiæ, Godoliæ filio Ahicam : et cepit eos Ismahel filius Nathaniæ, et abiit ut transiret ad filios Ammon.

Nederlands

En Ismaël voerde gevangen weg al de overblijfselen van het volk die in Mizpa waren, de dochters van de koning en het hele volk dat in Mizpa was overgebleven, die Nebuzaradan, de overste van het leger, aan Gedalja, de zoon van Achikam, had toevertrouwd; en Ismaël, de zoon van Netanja, nam hen gevangen en ging heen om over te steken naar de Ammonieten.

11
Latijn

Audivit autem Johanan filius Caree, et omnes principes bellatorum qui erant cum eo, omne malum quod fecerat Ismahel filius Nathaniæ,

Nederlands

Maar Johanan, de zoon van Kareach, en al de aanvoerders van de strijders die met hem waren, hoorden al het kwaad dat Ismaël, de zoon van Netanja, had gedaan,

12
Latijn

et assumptis universis viris, profecti sunt ut bellarent adversum Ismahel filium Nathaniæ : et invenerunt eum ad aquas multas quæ sunt in Gabaon.

Nederlands

en zij namen al de mannen en trokken uit om tegen Ismaël, de zoon van Netanja, te strijden; en zij vonden hem bij de grote wateren die in Gibeon zijn.

13
Latijn

Cumque vidisset omnis populus qui erat cum Ismahel Johanan filium Caree, et universos principes bellatorum qui erant cum eo, lætati sunt :

Nederlands

En toen al het volk dat bij Ismaël was, Johanan, de zoon van Kareach, en al de aanvoerders van de strijders die met hem waren, zag, verheugden zij zich;

14
Latijn

et reversus est omnis populus quem ceperat Ismahel, in Masphath, reversusque abiit ad Johanan filium Caree.

Nederlands

en al het volk dat Ismaël gevangen had genomen, keerde terug naar Mizpa, en teruggekeerd ging het naar Johanan, de zoon van Kareach.

15
Latijn

Ismahel autem filius Nathaniæ fugit cum octo viris a facie Johanan, et abiit ad filios Ammon.

Nederlands

Maar Ismaël, de zoon van Netanja, vluchtte met acht mannen voor Johanan en ging naar de Ammonieten.

16
Latijn

Tulit ergo Johanan filius Caree, et omnes principes bellatorum qui erant cum eo, universas reliquias vulgi quas reduxerat ab Ismahel filio Nathaniæ de Masphath, postquam percussit Godoliam filium Ahicam : fortes viros ad prælium, et mulieres, et pueros, et eunuchos, quos reduxerat de Gabaon.

Nederlands

Toen nam Johanan, de zoon van Kareach, en al de aanvoerders van de strijders die met hem waren, al de overblijfselen van het volk die hij teruggebracht had van Ismaël, de zoon van Netanja, uit Mizpa, nadat hij Gedalja, de zoon van Achikam, had gedood: sterke mannen voor de strijd, en vrouwen, en kinderen, en hovelingen, die hij uit Gibeon had teruggebracht.

17
Latijn

Et abierunt, et sederunt peregrinantes in Chamaam, quæ est juxta Bethlehem, ut pergerent, et introirent Ægyptum,

Nederlands

En zij gingen heen en verbleven als vreemdelingen in Kimham, dat bij Betlehem ligt, om verder te trekken en Egypte binnen te gaan,

18
Latijn

a facie Chaldæorum : timebant enim eos, quia percusserat Ismahel filius Nathaniæ Godoliam filium Ahicam, quem præposuerat rex Babylonis in terra Juda.

Nederlands

weg van de Chaldeeën; want zij vreesden hen, omdat Ismaël, de zoon van Netanja, Gedalja, de zoon van Achikam, had gedood, die de koning van Babel over het land Juda had aangesteld.