Lucas · 6

Tekstweergave
Tekstweergave
Lettergrootte
18 px

Verzen

⋯
1
Latijn

Factum est autem in sabbato secundo, primo, cum transiret per sata, vellebant discipuli ejus spicas, et manducabant confricantes manibus.

Nederlands

En het gebeurde op een sabbat, de tweede eerste, dat Hij door de korenvelden ging, en zijn leerlingen plukten aren en aten ze, die in hun handen wrijvend.

2
Latijn

Quidam autem pharisæorum, dicebant illis : Quid facitis quod non licet in sabbatis ?

Nederlands

Maar sommigen van de Farizeeën zeiden tot hen: Waarom doet u wat niet geoorloofd is op de sabbatten?

3
Latijn

Et respondens Jesus ad eos, dixit : Nec hoc legistis quod fecit David, cum esurisset ipse, et qui cum illo erant ?

Nederlands

En Jezus antwoordde en zei tot hen: Hebt u ook dit niet gelezen, wat David deed, toen hij honger had, hij en die met hem waren?

4
Latijn

quomodo intravit in domum Dei, et panes propositionis sumpsit, et manducavit, et dedit his qui cum ipso erant : quos non licet manducare nisi tantum sacerdotibus ?

Nederlands

hoe hij het huis van God binnenging en de toonbroden nam en at, en gaf aan hen die met hem waren, die niet geoorloofd waren te eten, behalve alleen de priesters?

5
Latijn

Et dicebat illis : Quia dominus est Filius hominis etiam sabbati.

Nederlands

En Hij zei tot hen: De Mensenzoon is heer ook van de sabbat.

6
Latijn

Factum est autem in alio sabbato, ut intraret in synagogam, et doceret. Et erat ibi homo, et manus ejus dextra erat arida.

Nederlands

En het gebeurde op een andere sabbat, dat Hij in de synagoge ging en onderwees. En daar was een mens, en zijn rechterhand was verdord.

7
Latijn

Observabant autem scribæ et pharisæi si in sabbato curaret, ut invenirent unde accusarent eum.

Nederlands

En de schriftgeleerden en de Farizeeën letten erop of Hij op de sabbat zou genezen, om een aanklacht tegen Hem te vinden.

8
Latijn

Ipse vero sciebat cogitationes eorum : et ait homini qui habebat manum aridam : Surge, et sta in medium. Et surgens stetit.

Nederlands

Maar Hij kende hun gedachten, en zei tot de man die de verdorde hand had: Sta op en ga in het midden staan. En hij stond op en ging staan.

9
Latijn

Ait autem ad illos Jesus : Interrogo vos si licet sabbatis benefacere, an male : animam salvam facere, an perdere ?

Nederlands

Maar Jezus zei tot hen: Ik vraag u of het geoorloofd is op de sabbat goed te doen, of kwaad: een leven te redden, of te verliezen?

10
Latijn

Et circumspectis omnibus dixit homini : Extende manum tuam. Et extendit : et restituta est manus ejus.

Nederlands

En Hij keek hen allen rond aan en zei tot de man: Strek uw hand uit. En hij deed het, en zijn hand werd hersteld.

11
Latijn

Ipsi autem repleti sunt insipientia, et colloquebantur ad invicem, quidnam facerent Jesu.

Nederlands

Maar zij werden vervuld met dwaasheid, en spraken met elkaar over wat zij Jezus zouden doen.

12
Latijn

Factum est autem in illis diebus, exiit in montem orare, et erat pernoctans in oratione Dei.

Nederlands

En het gebeurde in die dagen, dat Hij de berg opging om te bidden, en Hij bracht de nacht door in het gebed tot God.

13
Latijn

Et cum dies factus esset, vocavit discipulos suos : et elegit duodecim ex ipsis (quos et apostolos nominavit) :

Nederlands

En toen het dag geworden was, riep Hij zijn leerlingen, en koos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:

14
Latijn

Simonem, quem cognominavit Petrum, et Andream fratrem ejus, Jacobum, et Joannem, Philippum, et Bartholomæum,

Nederlands

Simon, die Hij ook Petrus noemde, en Andreas zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs,

15
Latijn

Matthæum, et Thomam, Jacobum Alphæi, et Simonem, qui vocatur Zelotes,

Nederlands

Mattheüs en Thomas, Jakobus van Alfeüs, en Simon, die de IJveraar genoemd wordt,

16
Latijn

et Judam Jacobi, et Judam Iscariotem, qui fuit proditor.

Nederlands

en Judas van Jakobus, en Judas Iskariot, die de verrader werd.

17
Latijn

Et descendens cum illis, stetit in loco campestri, et turba discipulorum ejus, et multitudo copiosa plebis ab omni Judæa, et Jerusalem, et maritima, et Tyri, et Sidonis,

Nederlands

En Hij daalde met hen af en bleef staan op een vlakke plaats, en een menigte van zijn leerlingen, en een grote massa volk uit heel Judea en Jeruzalem en het kustgebied van Tyrus en Sidon,

18
Latijn

qui venerant ut audirent eum, et sanarentur a languoribus suis. Et qui vexabantur a spiritibus immundis, curabantur.

Nederlands

die gekomen waren om Hem te horen en genezen te worden van hun kwalen. En zij die door onreine geesten gekweld werden, werden genezen.

19
Latijn

Et omnis turba quærebat eum tangere : quia virtus de illo exibat, et sanabat omnes.

Nederlands

En heel de menigte zocht Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en Hij genas allen.

20
Latijn

Et ipse elevatis oculis in discipulis suis, dicebat : Beati pauperes, quia vestrum est regnum Dei.

Nederlands

En Hij sloeg zijn ogen op naar zijn leerlingen en zei: Gelukkig de armen, want van u is het koninkrijk van God.

21
Latijn

Beati qui nunc esuritis, quia saturabimini. Beati qui nunc fletis, quia ridebitis.

Nederlands

Gelukkig die nu hongeren, want u zult verzadigd worden. Gelukkig die nu wenen, want u zult lachen.

22
Latijn

Beati eritis cum vos oderint homines, et cum separaverint vos, et exprobraverint, et ejicerint nomen vestrum tamquam malum propter Filium hominis.

Nederlands

Gelukkig zult u zijn wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u afzonderen en u beschimpen en uw naam als kwaad verwerpen om de Mensenzoon.

23
Latijn

Gaudete in illa die, et exsultate : ecce enim merces vestra multa est in cælo : secundum hæc enim faciebant prophetis patres eorum.

Nederlands

Verheug u op die dag en spring op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel; want zo deden hun vaders aan de profeten.

24
Latijn

Verumtamen væ vobis divitibus, quia habetis consolationem vestram.

Nederlands

Maar wee u, rijken, want u hebt uw troost.

25
Latijn

Væ vobis, qui saturati estis : quia esurietis. Væ vobis, qui ridetis nunc : quia lugebitis et flebitis.

Nederlands

Wee u, die verzadigd bent, want u zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want u zult treuren en wenen.

26
Latijn

Væ cum benedixerint vobis homines : secundum hæc enim faciebant pseudoprophetis patres eorum.

Nederlands

Wee, wanneer alle mensen u prijzen; want zo deden hun vaders aan de valse profeten.

27
Latijn

Sed vobis dico, qui auditis : diligite inimicos vestros, benefacite his qui oderunt vos.

Nederlands

Maar Ik zeg u, die luistert: heb uw vijanden lief, doe goed aan hen die u haten.

28
Latijn

Benedicite maledicentibus vobis, et orate pro calumniantibus vos.

Nederlands

Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren.

29
Latijn

Et qui te percutit in maxillam, præbe et alteram. Et ab eo qui aufert tibi vestimentum, etiam tunicam noli prohibere.

Nederlands

En wie u op de kaak slaat, bied ook de andere aan. En aan hem die u het bovenkleed ontneemt, belet ook het onderkleed niet.

30
Latijn

Omni autem petenti te, tribue : et qui aufert quæ tua sunt, ne repetas.

Nederlands

Maar aan iedereen die u vraagt, geef, en van hem die neemt wat van u is, eis het niet terug.

31
Latijn

Et prout vultis ut faciant vobis homines, et vos facite illis similiter.

Nederlands

En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.

32
Latijn

Et si diligitis eos qui vos diligunt, quæ vobis est gratia ? nam et peccatores diligentes se diligunt.

Nederlands

En als u hen liefhebt die u liefhebben, welke genade is dat voor u? Want ook de zondaars hebben hen lief die hen liefhebben.

33
Latijn

Et si benefeceritis his qui vobis benefaciunt, quæ vobis est gratia ? siquidem et peccatores hoc faciunt.

Nederlands

En als u goed doet aan hen die u goed doen, welke genade is dat voor u? Want ook de zondaars doen dat.

34
Latijn

Et si mutuum dederitis his a quibus speratis recipere, quæ gratia est vobis ? nam et peccatores peccatoribus fœnerantur, ut recipiant æqualia.

Nederlands

En als u uitleent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, welke genade is dat voor u? Want ook de zondaars lenen aan zondaars, om het gelijke terug te ontvangen.

35
Latijn

Verumtamen diligite inimicos vestros : benefacite, et mutuum date, nihil inde sperantes : et erit merces vestra multa, et eritis filii Altissimi, quia ipse benignus est super ingratos et malos.

Nederlands

Maar heb uw vijanden lief, doe goed en leen uit, zonder iets terug te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en de bozen.

36
Latijn

Estote ergo misericordes sicut et Pater vester misericors est.

Nederlands

Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.

37
Latijn

Nolite judicare, et non judicabimini : nolite condemnare, et non condemnabimini. Dimittite, et dimittemini.

Nederlands

Oordeel niet, en u zult niet geoordeeld worden; veroordeel niet, en u zult niet veroordeeld worden. Vergeef, en u zal vergeven worden.

38
Latijn

Date, et dabitur vobis : mensuram bonam, et confertam, et coagitatam, et supereffluentem dabunt in sinum vestrum. Eadem quippe mensura, qua mensi fueritis, remetietur vobis.

Nederlands

Geef, en u zal gegeven worden: een goede, samengedrukte, geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met dezelfde maat waarmee u gemeten hebt, zal u worden teruggemeten.

39
Latijn

Dicebat autem illis et similitudinem : Numquid potest cæcus cæcum ducere ? nonne ambo in foveam cadunt ?

Nederlands

En Hij zei hun ook een gelijkenis: Kan een blinde een blinde leiden? Vallen zij niet beiden in de kuil?

40
Latijn

Non est discipulus super magistrum : perfectus autem omnis erit, si sit sicut magister ejus.

Nederlands

Een leerling is niet boven zijn meester; maar iedereen zal volmaakt zijn, als hij is zoals zijn meester.

41
Latijn

Quid autem vides festucam in oculo fratris tui, trabem autem, quæ in oculo tuo est, non consideras ?

Nederlands

Maar waarom ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk die in uw eigen oog is, overweegt u niet?

42
Latijn

aut quomodo potes dicere fratri tuo : Frater, sine ejiciam festucam de oculo tuo : ipse in oculo tuo trabem non videns ? Hypocrita, ejice primum trabem de oculo tuo : et tunc perspicies ut educas festucam de oculo fratris tui.

Nederlands

Of hoe kunt u tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter uit uw oog trekken, terwijl u zelf de balk in uw oog niet ziet? Huichelaar, trek eerst de balk uit uw oog, en dan zult u scherp zien om de splinter uit het oog van uw broeder te halen.

43
Latijn

Non est enim arbor bona, quæ facit fructus malos : neque arbor mala, faciens fructum bonum.

Nederlands

Want er is geen goede boom die slechte vruchten voortbrengt, noch een slechte boom die goede vrucht voortbrengt.

44
Latijn

Unaquæque enim arbor de fructu suo cognoscitur. Neque enim de spinis colligunt ficus : neque de rubo vindemiant uvam.

Nederlands

Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Want van doornen plukt men geen vijgen, noch leest men van een braamstruik een druif.

45
Latijn

Bonus homo de bono thesauro cordis sui profert bonum : et malus homo de malo thesauro profert malum. Ex abundantia enim cordis os loquitur.

Nederlands

Een goed mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort, en een slecht mens brengt uit de slechte schat het kwade voort. Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.

46
Latijn

Quid autem vocatis me Domine, Domine : et non facitis quæ dico ?

Nederlands

Maar waarom noemt u Mij: Heer, Heer, en doet u niet wat Ik zeg?

47
Latijn

Omnis qui venit ad me, et audit sermones meos, et facit eos, ostendam vobis cui similis sit :

Nederlands

Iedereen die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is:

48
Latijn

similis est homini ædificanti domum, qui fodit in altum, et posuit fundamentum super petram : inundatione autem facta, illisum est flumen domui illi, et non potuit eam movere : fundata enim erat super petram.

Nederlands

hij is gelijk aan een mens die een huis bouwt, die diep groef en het fundament op de rots legde; maar toen er een overstroming kwam, stortte de rivier zich tegen dat huis, en kon het niet bewegen, want het was op de rots gegrondvest.

49
Latijn

Qui autem audit, et non facit, similis est homini ædificanti domum suam super terram sine fundamento : in quam illisus est fluvius, et continuo cecidit : et facta est ruina domus illius magna.

Nederlands

Maar wie hoort en niet doet, is gelijk aan een mens die zijn huis op de aarde bouwde zonder fundament; tegen hem stortte de rivier zich, en onmiddellijk viel het, en de instorting van dat huis was groot.